Patrick Versluys werd in 1987 tweede in Parijs-Roubaix. Dit is dan ook de wedstrijd die hij het meeste koestert in zijn herinneringen. In zijn carrière leverde hij telkens top prestatities in deze wedstrijd. Zo eindigde hij telkens, op één editie na, in de top 15. Vandaag haalt hij verschillende herinneringen op over zijn wielercarrière gedurende de jaren 80.
Interview en tekst: Brent Wouters
Toen ik dertien jaar was ben ik begonnen met het wielrennen. Officieel mocht je pas beginnen in het jaar dat je vijftien werd. Maar in Nederland had je een aantal wielerclubs waar je vroeger mocht beginnen. Dit kwam doordat de regels in Nederland soepelder waren dan in België. Ik kwam daar terecht in een ploeg met renners van twintig tot dertig jaar oud. Desondanks dat ze fysiek sterker waren, kon ik ze toch zestig kilometer lang volgen. Daarna moest ik wel afstappen om te rusten.
De passie voor het wielrennen begon toen ik twaalf jaar was. Mijn buurman reed op dat moment bij de nieuwelingen. Elke zondag gingen we naar zijn wedstrijden kijken om te supporteren. Zo ben ik in de sport gerold. Verder zat het wielrennen ook in mijn familie. Aan de kant van mijn moeder waren er twee goede profrenners. Het waren de neven van mijn moeder. Ik heb ze nooit persoonlijk gekend, maar ze waren wel heel goed. Daardoor zeiden ze altijd dat het wielrennen in onze genen zat.
Bij Boule d’Or is mijn profcarrière begonnen. Ik kwam terecht in de ploeg van Freddy Maertens, de tweevoudig wereldkampioen uit Roeselaere. Doordat ik altijd met Roger De Vlaeminck trainde kwam ik daar terecht. Ik had ook dezelfde trainer als Roger. In de winter gingen we altijd trainen in de Lembeekse bossen. Uiteindelijk ging De Vlaeminck voor mij een goed woordje doen, waardoor ik kon beginnen als profrenner.
In september 1980 ben ik dan officieel begonnen als profrenner samen met Eddy Planckaert. Mijn eerste wedstrijd was er eentje in Nevele. Eddy won die wedstrijd ook meteen. Twee weken daarvoor had ik mijn laatste wedstrijd bij de nieuwelingen gereden. Ik ben daartoen zwaar ten val gekomen. Je kan het nog altijd een beetje zien aan het litteken op mijn oogkas. Het ongeval gebeurde tijdens een spurt. Op een bepaald moment stak er ineens een jongetje met zijn fiets het parcours over. Ik kon niet meer uitwijken waardoor ik ten val kwam. Heel mijn oogkas was gebroken waardoor ik een aantal dagen in het ziekenhuis moest blijven. Tien dagen na het ongeluk is het kindje overleden.
De beste plaats die ik ooit heb behaald is toch de tweede plaats in Parijs-Roubaix van 1987. Maar dit is niet mijn beste prestatie ooit. In de Amstel Gold Race ben ik eigenlijk twee keer als derde geëindigd. Spijtig genoeg staat er op papier dat ik maar één keer derde was en de andere keer vierde. Eigenlijk is dit niet correct want op een moment waren we nog met drie renners over voor de overwinning. We zaten in de laatste vier kilometer van de wedstrijd en toen kwam er ineens een renner bij ons aangesloten die het parcours niet had afgelegd. Het was een Nederlandse renner. Het bleek te gaan om Johnny Broers, hij is ook officieel als derde geëindigd. Ik mocht toen nog zoveel discussiëren als ik wilde, maar het mocht niet zijn. Roubaix is wel mijn mooiste prestatie ooit.
Achteraf gezien ben ik tevreden met mijn carrière. Het kan altijd beter, maar ik heb goed mijn boterham kunnen verdienen met het wielrennen. Niet zoals sommige sporters nu, want nadat ik gestopt ben, ben ik nog wel gaan werken tot mijn pensioen zeven jaar geleden. In de acht jaar dat ik profesioneel renner was, heb ik een 18 wedstrijden kunnen winnen. Dat zijn toch wel mooie cijfers voor een korte carrière. Ik ben vroeg gestopt doordat ik de kans kreeg om ploegleider te worden. Die job heb ik niet lang gedaan, dat kwam doordat de sponser van de ploeg de lonen niet goed uitbetaalde.
De grootste verandering in het wielrennen sinds de jaren 80 is het materiaal. Met het matriaal dat je nu hebt, zou ik zeker nog meer kunnen winnen. Opzich maakt het geen groot verschil, maar alle beetjes helpen wel. Nu is het materiaal veel lichter. De begeleiding en de voeding is ook enorm geëvolueerd. In mijn tijd at je de ochtend van de koers een biefstuk. Het enige waarop je moest letten was, dat je niet elke dag hetzelfde at. Nu wegen de renners hun eten perfect af en letten ze op alles.
Een ander aspect dat er is bijgekomen is het financiële karakter van de sport. Er zit veel geld in de sport. Nu heb je na een aantal jaren veel geld verdiend. Ik moest bijvoorbeeld nog gaan werken, anders had ik er niet gekomen. Ten slotte zijn de wegen ook fel veranderd. Eddy Merckx is een goede renner, maar in deze tijd zou hij maar voor de helft kunnen presteren. Op een vlakke weg kan je niet makkelijk het verschil meer maken. Je moet ongeveer 30-40% beter zijn om de andere er af te rijden.
Tiesj Benoot. Dat is de renner waarmee ik mezelf zou vergelijken in het huidige wielerpeloton. Het is een renner die niet vele grote koersen wint, maar hij zit wel altijd vooraan mee te doen. Ik was hetzelfde type als Tiesj, ook qua prestaties op de weg.
Parijs-Roubaix was mijn lievelingswedstrijd van het wielerseizoen. Deze wedstrijd lag me ook het best omdat het voor de Flandriens ieder voorzich is. In totaal heb ik Parijs-Roubaix acht keer gereden. Zeven keer daarvan stond ik in de top 15. Daar ben je als renner echt wel trots op. Verder zijn er ook nog andere mooie wedstrijden op een seizoen. Vooral de Vlaamse koersen zoals de E3-prijs en Bavikhove. Deze lagen me ook het best, ik was geen ronde renner. De eendagswedstrijden waren toffer om te doen.
De Ronde van Frankrijk vond ik persoonlijk niet aangenaam om te rijden. Bergop kon ik al sowieso niet mee met de eerste, tijdrijden was mijn ding niet en sprinten kon ik wel goed, maar niet om een massasprint te winnen. Je was drie weken lang weg van huis, bijna vier weken. Je moest ook al een aantal dagen op voorhand in Frankrijk zijn, neen dat was echt niet aangenaam. De Ronde van Vlaanderen heb ik ook gereden. Dat is een fijnere wedstrijd in vergelijking met de Ronde van Frankrijk.
Tijdens de Ronde van Vlaanderen in 1983 had ik de beste dag in mijn hele carrière als wielrenner. Maar op een bepaald moment brak de kader van mijn fiets doormidden. Het was meteen gedaan. Vanbinnen had ik het gevoel dat ik ging winnen die dag. Tot dat mijn kader brak. De kopgroep reed op een gegeven moment weg van mij. Na een tijd kon ik ze terug bijhalen, maar toen gebeurde het. Dat is echt wel een van de slechtste herineringen.
Doordat ik de kans kreeg om ploegleider te worden, ben ik vroeg gestopt met wielrennen. Ik dacht dat mijn broodje gebakken was. Heb ik er spijt van dat ik zo vroeg gestopt ben? Eigenlijk wel, ik had nog een goed contract tot 1989. Ik had nog zeker twee jaar langer kunnen koersen op het hoogste niveau. Maar na een aantal jaar geraak je de sport wel beu. We reden veel meer wedstrijden dan de renners van nu. Ongeveer 100 à 120 op een seizoen. Nu rijden ze nog maar de helft. Dit kwam doordat er vroeger veel verschillende kermiskoersen waren. Deze moesten we dan allemaal rijden, de ploegleiders van de ploeg kregen daarook veel geld voor. Ze kregen een bepaald bedrag per renner dat ze meenamen naar zo’n kermiskoers. Zo heb ik eens een maand gehad waarop ik twintig wedstrijden moest rijden. Uiteindelijk rij je die niet allemaal uit, dat lukt fysiek echt niet.
Vroeger werd er veel minder gevallen dan nu. Ik denk dat er op een volledig seizoen gemiddeld zo’n 15 valpartijen waren. Nu zijn er soms vijf valpartijen in één wedstrijd. Fietshelmen waren in de jaren 80 enkel verplicht in de Benelux. De helmen toen bestonden uit worsten. In Franse wedstrijden was het zo, dat we zonder helm reden. Eens we de grens met België naderde zetten we allemaal onze helm op. Het was allemaal veel veiliger zonder helm toen, dan nu met helm doordat er minder werd gevallen. Er gebeuren sneller ongevallen doordat de renners pas op de allerlaaste minuut beginnen te remmen. Met het materiaal dat er tegenwoordig is lukt dit. Vroeger had je een langere remafstand nodig, dat is dan ook de reden waarom het veiliger is.
Alle dagen fietsen, fietsen, fietsen. Zo zag een trainingschema in de jaren 80 eruit. Nu hebben ze allemaal verschillende apparaten om hun hartslag te meten, kunnen ze thuis op de rollen trainen. Dat was er in mijn tijd niet. We gingen gewoon elke dag een lange tour rijden om voorbereid te zijn op de wedstrijd van het weekend. Op stage gingen we vroeger niet. Enkel op trainingskamp naar Italië of Spanje omdat het hier slecht weer is in de winter. Ik weet nog dat ik eens op trainingskamp ben geweest in februari. In het zuiden van Europa. Tegen elf uur in de ochtend, kon je gewoon in korte mouwen en korte broek rond rijden.
Tijdens de Ronde van Frankrijk eet je elke dag hetzelfde. Elke dag waren het rode bonen en rijst. In het zuiden van Frankrijk waren de biefstuks die we kregen maar drie millimeter dik. Na verloop van tijd, kan je dat eten niet meer zien. Het zag er bovendien niet lekker uit en het rook ook niet goed. Het was gewoon elke dag hetzelfde. De grote rondes waren gewoon niet aan mij besteed. De eendagskoersen waren aangenamer.
De Vuelta heb ik ook ooit gereden. Op een bepaald moment stapte ik gewoon af van colère. Normaal gezien ging ik niet naar de Vuelta. Maar er was een renner ziek geworden en de ploeg zocht naar een vervanger. In de vierde of vijfde rit, was ik alleen weg. Na 28 kilometer begon ik te demareren. Na verloop van tijd was de voorsprong op de andere een kwartier. Niemand reed achter mij. Wilfried Reybrouck was de ploegleider. Op 80 kilometer van de aankomst kreeg ik mijn zakje met bevoorrading. Ondertussen kwam ik op een andere baan terecht. De aankomst was in Zarragoza. Ik zag een bordje waarop stond dat het nog 109 kilometer ver was richting Zarragoza. Ik ging meteen naar de ploegauto, want dat kon niet kloppen. Op vier kilometer van de aankomst ben ik uiteindelijk kwaad van de fiets gestapt, doordat er veertig kilometer waren bijgekomen. Ik zei meteen dat ik naar huis wou.
Parijs-Roubaix is één van de makkelijste koersen die er is. Je moet gewoon zien dat je in het begin een beetje vooraan zit. Niet op kop, dat hoeft niet. Daarna is het kwestie van gewoon vlot mee te rijden vooraan. Je mag dan zelfs een aantal keer plat rijden. Uiteindelijk zal dat wel goedkomen. Het jaar dat Kelly won, heb ik drie keer plat gereden. Toen was ik nog de achtste of negende. Het is echt de makkelijkste koers. De Ronde van Lombardije en Luik-Bastenaken-Luik zijn dan weer de moeilijkste van het seizoen
.
Het gekste wat ik ooit heb meegemaakt, is dat we tijdens Parijs-Roubaix een stuk moesten lopen. Die dag was er zoveel slijk, dat je de kasseien niet meer kon zien. Op het moment dat ik aan de kasseistrook aankwam zag ik de eerste renners van hun fiets springen. Daarna sprongen ze over de gracht die er lag, rechtsreeks de wei in naast de weg. We moesten op dat moment zo’n 300 meter door de wei lopen met onze fiets op de schouder. Dat is echt het zotste. Zoiets heb ik maar één keer meegemaakt. Elk jaar denk ik nog aan dat moment wanneer ze die kasseistrook passeren.